Nederland en Frankrijk werken vruchtbaar samen op biobased gebied

Bijna een jaar eerder, in januari 2014, ondertekenden IAR en Biobased Delta een zogenaamd Memorandum of Understanding, een drie jaar durend traject waarbij de clusters op verschillende niveaus samen gaan werken, zoals de uitwisseling van (onderzoeks)gegevens, gezamenlijke R&D-trajecten, aanvragen voor Europese fondsen, deelnames aan congressen en beurzen enzovoort.

Destijds verklaarde Sederel dat de synergie tussen beide clusters een impact zal hebben op de ontwikkeling van een gezonde en welvarende bio-economie in Europa. Een jaar later delen IAR en BBD een stand tijdens het gerenommeerde congres/vakbeurs Plant Based Summit. Maar is toch zeker meer gebeurd dan alleen dat?

Willem Sederel:
‘In een relatief korte tijd hebben IAR en Biobased Delta al in verschillende settings samengewerkt. Kort nadat het Memorandum was ondertekend, bezocht een delegatie van Biobased Delta de biobased vakbeurs SINAL in Châlons-en-Champagne. Het was bemoedigend en verfrissend om te zien dat de Nederlandse ambassade zeer actief was om Nederlandse bedrijven naar de SINAL te trekken. De ondernemingen die de beurs bezochten, vonden het een vruchtbaar bezoek. Het was niet zozeer een kwestie van grote aantallen (bezoekers), maar meer van de kwaliteit van de contacten en de uitwisseling van ideeën. Ook zijn er contacten gelegd, waarbij bedrijven ervaringen presenteerden tijdens andere bijeenkomsten, zoals een Frans bedrijf dat sprak over een biobased vervanger van fenol formaldehyde harsen tijdens een Biorizon-workshop (over bio-aromaten, red.) op de EFIB in Reims.’

Christophe Luguel:
‘Bio-aromaten is een schoolvoorbeeld van een domein waarop zowel IAR als Biobased Delta actief zijn. Beide clusters verwachten veel van bio-aromaten en hebben dan ook onderzoeksprogramma’s opgezet, gebaseerd op verschillende feedstocks. Omdat IAR meer vanuit de primaire sector is opgezet, gezien de economie in Noord-Frankrijk, en BBD meer vanuit de chemie, zijn synergiën evident. Let wel dat het opzetten van een internationaal cluster tijd en energie zal vergen. Kijk maar hoeveel moeite het kost om een nationaal cluster op de kaart te zetten, laat staan een grensoverschrijdend cluster. Vooral nu de clusters ook hun netwerk hebben uitgebreid naar het Verenigd Koninkrijk (BioVale) en Duitsland (Bio-economy Cluster Sachsen Anhalt).’

Sederel:
‘Door deze verbindingen is de ontwikkeling van een Europese bio-economie duidelijker op het netvlies van nationale overheden en de Europese Commissie gekomen. Verscheidende DG’s (directeur-generaals, red.) van bijvoorbeeld Regionale Ontwikkeling en Onderzoek hebben een verdere internationale samenwerking toegejuicht. Het idee is kristalhelder: als onderzoek en valorisatie te gefragmenteerd plaatsvinden, zal de economische en maatschappelijke impact lager uitvallen. Het is ook niet verstandig als clusters vrijwel identiek onderzoek uit gaan voeren of dure laboratoria en pilot plants gaan bouwen. Je kunt dan beter onderzoeksgegevens en facilities delen.’

Luguel:
‘Onderzoek is in de ogen van IAR en BBD – en overigens ook van de clusters – gericht op innovatie. Onderzoek transformeert geld in kennis, innovatie zet deze kennis weer om in geld. We moeten ons niet af laten schrikken door het idee dat Europeanen succesvoller zijn in de eerstgenoemde activiteit. Toegegeven, andere continenten hebben op gebied van flagship projects en commerciële fabrieken hogere ogen gegooid. Verschillende factoren spelen hierbij een rol: toegang tot voldoende biomassa, de nabijheid van consumentenmarkten, energieprijzen, human capital et cetera. We moeten onszelf niet onderschatten op deze parameters. Europa heeft een grote en welvarende binnenmarkt, een volwassen chemische sector, aanzienlijke hoeveelheden aan biomassa dankzij een goed ontwikkelde agrofood- en bosbouwsector, en sterke publiek/private samenwerkingsverbanden. Ook hebben we met verschillende belangrijke diepzeehavens toegang tot biomassa van overzee.’

Sederel:
‘Er is sprake van een paradigmaverandering in onderzoeksprojecten. De industrie neemt vaker de leiding, waardoor de focus meer en meer is verschoven van fundamenteel naar toegepast onderzoek, met kortere tijdhorizons en meer nadruk op eindmarkten. Toegegeven, veel business cases willen nu nog niet ‘vliegen’ vanwege de lage olieprijzen, de competitie met bewezen materialen en chemicaliën, en risicomijdend gedrag van afnemers. Biobased alternatieven moeten een gelijkwaardige of betere performance hebben dan bestaande opties. Dat bewijs kost tijd omdat afnemers geen risico’s willen lopen. Kan Europa kennis minder goed omzetten in geld? Misschien wel, maar we zullen en moeten ons op dat punt verbeteren. De ‘geboorte’ van het Biobased Industries Consortium en de intensieve samenwerking tussen bedrijven en onderzoeksinstituten, binnen en tussen de internationale clusters, zal deze leercurve alleen maar bespoedigen. Uiteindelijk zal deze evolutie leiden tot marktsuccessen in de vorm van flagship projecten en industriële activiteiten op Europese bodem.’

Bron: Agro&Chemie, auteur: Lucien Joppen, beeld: IAR, Biobased Delta, Publicatiedatum: 17-06-2015

%d bloggers liken dit: