Frankrijk en Nederland: al eeuwen lang belangrijke opticalanden

De Eiffeltoren is met ruim 6,5 miljoen bezoekers per jaar het meest bezochte betaalde monument ter wereld. Wat echter niet alle bezoekers zal zijn opgevallen, zijn de 72 namen die net boven de eerste boog in het goud op de toren zijn aangebracht.  Deze personen, bijna allemaal Fransen, zijn wetenschappers en ingenieurs die met hun werk van groot belang zijn geweest voor Frankrijk.

Namen op Eiffeltoren

De namen van enkele belangrijke Fransen op de Eiffeltoren. Foucault staat helemaal links.

Veel van deze wetenschappers waren natuurkundigen, waarvan een aantal uit het vakgebied optica. De fotonica, die gezien kan worden als opvolger van de optica, is een technologie die vandaag de dag in zowel Frankrijk als Nederland sterk in de aandacht staat. Deze relatief jonge technologie werd voor het eerst benoemd in 1967 door de Franse wetenschapper Pierre Aigrain (1924 – 2002). Nederland en Frankrijk zijn beiden altijd toonaangevend geweest op dit gebied.

Er staan weliswaar geen Nederlandse namen op de Eiffeltoren, maar er zijn wel twee Nederlandse wetenschappers die zeer belangrijk zijn geweest binnen de optica. Een van de belangrijkste principes in de optica is zelfs vernoemd naar de Nederlander Christiaan Huygens en de Fransman Augustin Fresnel. Dit principe blijft tot op de dag van vandaag een van de bouwstenen van de fotonica. Naast Huygens is ook de Nederlander Antonie van Leeuwenhoek (1632 – 1723) wereldberoemd. Hij ontwikkelde de eerste goed werkende microscoop, waarmee hij belangrijke ontdekkingen deed in de microbiologie.

In 1690 beweerde Huygens (1629 – 1695) in zijn Traité de la lumiere dat licht een golfverschijnsel was. Zijn tijdgenoot, Isaac Newton (1643 – 1727), bestreed dit en beweerde dat licht uit deeltjes bestond. Vanwege Newton’s reputatie bleef dit de algemene opvatting tot in de 19e eeuw.

De Fransman Étienne Louis Malus (1775 – 1812) ontdekte de polarisatie van licht. Nadat Augustin Jean Fresnel (1788 – 1827) ook nog liet zien dat licht interferentie vertoont, werd duidelijk dat licht wel degelijk uit golven bestaat. Begin 20e eeuw ging dit idee over in het dualiteitsprincipe van licht, wat stelt dat licht zowel een deeltjes- als een golfverschijnsel is. Fresnel deed verder onderzoek naar de polarisatie van licht, zowel theoretisch als experimenteel. Hij toonde aan dat licht een volledig transversale golf was.

Later werd bekend dat licht ook een vorm is van elektromagnetische straling, een verschijnsel dat werd ontdekt door de Fransman André-Marie Ampère (1775 –1836). Naar hem is de eenheid van elektrische stroom vernoemd. De Fransen Armand Hippolyte Louis Fizeau (1819 – 1896) en Jean Bernard Léon Foucault (1819 – 1868) maten in 1849 samen als eersten nauwkeurig de snelheid van het licht.

Ook in de astronomie, vaak een vorm van optica, heeft Frankrijk een lange traditie. Pierre-Simon Laplace (1749 –1827) combineerde wiskunde en astronomie en was in beide vakgebieden baanbrekend. De sterrenkundige Charles-Eugène Delaunay (1816 – 1872) loste het drielichamenprobleem van de zon, de maan en de aarde op. In 1900 werd op de Wereldtentoonstelling in Parijs de grootste telescoop (bestaande uit één apparaat) ooit onthuld. De telescoop had een lens van 1,25 m diameter, was 60 m lang en had een brandpuntafstand van 57 m. Vanwege de grootte was de telescoop onbruikbaar voor wetenschappelijke doeleinden, en werd daarom later ook afgebroken. Het apparaat was bedoeld om het publiek kennis te laten maken met astronomie. De lenzen worden tegenwoordig bewaard in het Observatorium van Parijs.

De namen van bovenstaande Fransen kunt u de volgende keer dat u in Parijs bent allemaal terugvinden op de Eiffeltoren. Twee namen die hier niet terug te vinden zijn maar die later zeker van belang zijn geweest voor de ontwikkeling van de fotonica, zijn de Zwitser Daniel Colladon (1802 – 1893) en de Fransman Jacques Babinet (1794 – 1872), die in de jaren ‘40 van de 19e eeuw het principe van geleiding via lichtbreking demonstreerden. Dit kan gezien worden als de voorloper van de huidige glasvezelkabels. Datatransmissie via optische signalen werd echter pas interessant met de uitvinding van de laser halverwege de 20e eeuw. Door deze uitvinding komt het signaal veel verder zonder versterking.

Frankrijk en Nederland zijn beide dus al eeuwen lang belangrijke landen binnen de optica. Ook binnen de opvolger van de optica, de fotonica, nemen beide landen tegenwoordig een belangrijke plaats in. Beide landen kunnen daarbij voortborduren op een lange wetenschappelijke traditie binnen dit vakgebied.

Meer informatie:
%d bloggers liken dit: