Ontmoetingen met Fransen in de Nederlandse technologische industrie

Jos van Erp, FME / Holland High Tech

“Ze fluiten en zingen hier en mijn baas vraagt mijn mening”
Ze lopen hier stage, werken en wonen hier. Voor kortere of langere tijd. Of ze werken samen met Nederlandse collega’s. Hoog opgeleide Fransen in de technologische industrie. Hoe ervaren zij het werken in Nederland en met de Nederlanders? Wat zijn de verschillen met werken en wonen in hun vaderland? En wat bracht hen hier?  Sommigen zijn ver van huis. Omdat ze uit het Zuiden van Frankrijk komen. Anderen komen uit het Noorden en zijn nauwelijks 200 kilometer verwijderd van hun familie. Ik besluit hen op te zoeken en te vragen naar hun ervaringen. Plezierige ontmoetingen met betekenisvolle inhoud.

Werken in Nederland

Het topsectorenbeleid dat in 2010 van start is gegaan heeft geleid tot het inzicht dat de Nederlandse technologische industrie zich krachtig moet positioneren in het buitenland. Niet alleen om de producten uit de hightech maakindustrie onder de aandacht te brengen. Maar ook om hoogopgeleide technici te interesseren voor een loopbaan in Nederland. Zeker 20% van de Research & Development activiteiten worden uitgevoerd door buitenlandse kenniswerkers. Omdat Nederland te weinig technici opleidt. Dat is in het algemeen zo en zeker ook op PhD en post academisch niveau. Maar ook op Hbo en Mbo niveau 4 dreigen er grote tekorten. Recent onderzoek wijst uit dat bij ongewijzigd beleid dit tekort kan oplopen tot 40.000 tot het jaar 2015. Vanuit de Human Capital Agenda’s, die zijn voortgekomen uit de werkzaamheden van de topteams, worden acties opgestart die moeten leiden tot meer  instroom in het technisch beroepsonderwijs. Maar het resultaat daarvan zal nog jaren op zich laten wachten. De ‘branding’ van Holland High Tech is noodzakelijk om ook op kortere termijn goed opgeleide gemotiveerde mensen aan te trekken om onze industrie te versterken. Om de boodschap inhoud te geven waarmee ‘werken in Nederland’ wordt gepresenteerd is het van wezenlijk belang dat uitingen worden herkend door mensen die ervaringen hebben met werken in Nederland en werken met Nederlanders. Idealiter zullen nieuwe medewerkers die hun loopbaan in Nederland aanvangen hun verwachtingen moeten zien bewaarheid. Om een bijdrage te leveren aan de inhoud van die boodschap besluit ik een rondje langs de velden te doen. Ik ga Fransen in de Nederlandse industrie ontmoeten. Paspoorten

Van het één komt het ander

Waarom Fransen? Het hadden even goed Irakezen, Pakistani, Indiërs, Colombianen, Portugezen of Roemenen kunnen zijn. Zo zijn op de High Tech Campus in Eindhoven mensen van zeker 60 nationaliteiten werkzaam. Een persoonlijke reden bracht mij tot deze keuze. Sinds 1992 ben ik als gastdocent verbonden aan de Douai Business School (DBS). Aanvankelijk gevestigd in Douai, later verplaatst naar Lille. DBS biedt een kopstudie voor studenten die een technische beroepsopleiding hebben afgerond, maar zich verder willen bekwamen in internationale industriële marketing en verkoop. Zij volgen een programma van twee jaar waarbij zij verschillende stages in het buitenland lopen. Ieder jaar zijn er wel drie of vier studenten die een stageplaats vinden in Nederland. Sommige bevalt het zo goed dat zij blijven. Omdat de werkgever hen een vaste betrekking aanbiedt. Soms ook omdat zij hier een vriend of vriendin vinden. Er zijn er zeker acht met wie ik regelmatig contact heb. Ik kan hen dus makkelijk benaderen. Als het wat langer geleden is ben ik er bovendien benieuwd naar hoe het met hun loopbaan staat. En als je eenmaal afspraken maakt, komt van het één het ander.

Nederlandse mentaliteit

Zo ben ik op een mooie augustusmiddag te gast bij CSi in Raamsdonksveer. CSi industries B.V. ontwikkelt en produceert volledig geïntegreerde material handlingsystemen en heeft installaties geleverd over de hele wereld. CSi levert onder meer aan producenten van FMCG (Fast Moving Consumer Goods) en aan de verpakkingsindustrie. Ik heb een afspraak met Morgane Gautier. Eén van mijn studenten uit Lille. En daarmee meteen ook mijn jongste gesprekspartner. Zij loopt stage bij CSi. Morgane heeft een overlegruimte gereserveerd. En ze is niet alleen. Voor deze ontmoeting heeft ze ook een landgenoot met meer werkervaring uitgenodigd, Bertrand Vigneron. Een vitale vijftiger die het maar wat leuk vindt om met z’n drieën het gesprek in te gaan.

“Morgane, wat is jouw achtergrond?” “Ik kom oorspronkelijk uit Normandië en heb een studie gevolgd in de verpakkingstechnologie. Aanvankelijk voelde ik me vooral aangetrokken tot industrial design. Maar gaandeweg kwam ik steeds meer in contact met de techniek en logistiek daaromheen. Daar heb ik me vervolgens in gespecialiseerd. Omdat ik graag wil gaan werken op het snijvlak van techniek en commercie heb ik er voor gekozen mijn opleiding aan te vullen met een studie aan de DBS in Lille. We moeten stage lopen in het buitenland. CSi past precies bij de ontwikkeling die ik doormaak”. Bertrand komt uit Nantes en staat midden in een boeiende loopbaan. Als jongeman volgde hij de school voor internationale handel. Dat bracht hem beroepshalve onder meer  in Duitsland, Ierland en Spanje. Hij is bezig geweest met verkoop binnendienst, finance, planning en logistiek. Spreekt zijn talen. Daarnaast houdt hij zich bezig met fotografie, ontwerp en vormgeving. Bertrand heeft eerder bij een met CSi vergelijkbaar bedrijf gewerkt in Frankrijk. Is nu sinds ruim een half jaar bij CSi verantwoordelijk voor de verkoop in Frankrijk. Zoals hij aangeeft: “Om in Frankrijk te kunnen verkopen heb je een Fransman nodig. Maar die Fransman moet de Nederlandse mentaliteit ook begrijpen”. Dat is interessant.

Wat is dat, die Nederlandse mentaliteit? “Het valt mij op dat Nederlanders veel van zichzelf eisen. Ze verwachten van anderen, en dus ook van mij, dezelfde inzet. Daar komt bij dat Nederlandse bedrijven zich internationaal goed presenteren, maar intern niet zo ordentelijk zijn georganiseerd als het lijkt. In Frankrijk is dat precies andersom. Nederlanders kennen een geschiedenis van zeelieden en handelaren”. Zo verklaart Bertrand. “Als je hier gaat reizen ben je zo in ander taalgebied. Daardoor zijn zij al lang gewend andere talen te leren spreken en zich op andere landen te richten”.

Morgane Gautier en Bertrand Vigneron

Morgane Gautier en Bertrand Vigneron. “Structuur, orde en overzicht”.

Morgane sluit hier op aan: “Mensen hebben veel plezier in hun werk, is me opgevallen. Er wordt gezongen en gefloten. Ik voel me serieus genomen. Er wordt naar mijn mening gevraagd. Met Frans kan ik hier niet uit de voeten, maar Iedereen spreekt Engels. Zelfs in de supermarkt. Ik woon tijdelijk bij een heel sympathiek gezin. Zij vertellen mij dat sommige mensen hier in de regio nog nooit in Amsterdam zijn geweest. De beleving van afstand is hier heel anders als in Frankrijk. De infrastructuur is goed en overzichtelijk. De aparte, brede, fietspaden zie ik als een groot voorrecht. Dat kennen we in Frankrijk nauwelijks”. We worden even onderbroken door een collega die jarig is en appelflappen komt trakteren. We aanvaarden ze dankbaar. “Ook de stedenbouw wordt gekenmerkt door structuur, orde en overzicht” zo besluit Bertrand. “een lust voor het oog!”.

Belangstelling voor techniek

Of ik er vroeg kan zijn in de ochtend? Nou en of! Daarom parkeerde ik al voor half acht op de bezoekersparkeerplaats van Alstom in Ridderkerk. Voor een ontmoeting met Mevrouw Joelle de Gans, HR manager. Ik wist dat ze Française is, haar voornaam bevestigt dat. De liefde bracht haar naar Nederland. Haar achternaam bevestigt dát. De ontvangst is hartelijk en als ik niet had geweten dat Joelle van Franse afkomst is had ik het beslist niet meteen vermoed. Haar Nederlands is bijna accentloos. “Als je in Nederland woont en werkt doe je je best om de taal goed te leren” zo geeft ze beslist aan. En, ik heb heel lang kunnen oefenen!”.

Noemie Venture - Joëlle de Gans

Noémie Venture en Joelle de Gans. “Vrouwen in de techniek”.

Joelle heeft een collega bij het gesprek uitgenodigd. Noémie Venture. Noémie is een jonge vrouw van midden twintig, afkomstig uit Zuid Frankrijk en heeft een mastersopleiding werktuigbouwkunde afgerond. We voeren het gesprek in het Frans want Noémie is het Nederlands nog niet echt machtig. Joelle vangt onmiddellijk en makkelijk pratend aan.

“Ik kom oorspronkelijk uit de Elzas, nabij de Zwitserse grens. Mijn ouders zaten in de binnenvaart dus we waren gewend van plek naar plek, van land naar land te gaan. Toen ik dan ook mijn Nederlandse echtgenoot leerde kennen, en besloot in Nederland te gaan wonen, vonden zij dat heel gewoon. In het begin van de jaren tachtig was het in Nederland niet vanzelfsprekend dat jonge moeders werkten. Er waren nauwelijks crèches. Dat was in Frankrijk heel anders. Desondanks ben ik juist toch gaan werken. -mijn zoon was 1,5 jaar- en heb mijn oppas zonder crèche-faciliteiten georganiseerd. En sinds zes jaar ben ik werkzaam bij Alstom. Ja, een Franse firma, die van de treinen. Maar ook van “power”. Vanuit de vestiging in Ridderkerk voeren we onderhoud, reparaties en modificaties uit aan treinen, trams en metro’s. Ook doen we de engineering voor nieuwbouw. We werken hier met zo’n 250 FTE. En ja, dat ik van oorsprong Franse ben helpt wel met de communicatie naar het moederbedrijf, als dat zo uitkomt”. De tekorten in de techniek herkent zij vanuit haar métier als geen ander.

Hoe komt het dat Noémie voor werktuigbouwkunde heeft gekozen? Noémie: “Tsja, het is eigenlijk zo’n beetje vanzelf gegaan. Je moet je voorstellen dat het onderwijssysteem in Frankrijk niet vergelijkbaar is met dat in Nederland. In Frankrijk heb je tot het laatste jaar van de middelbare school de mogelijkheid om alle vakken te volgen. Ook natuurkunde, techniek, wiskunde enzovoort. Ik heb daar steeds belangstelling voor gehad. Je bent er dus tot je 17e, 18e mee bezig. Wellicht dat dat verklaart dat in mijn studie 25% van de studenten vrouwen waren. Ik heb me er in ieder geval nooit vragen over gesteld.” Hoe wordt Noémie geaccepteerd binnen de afdeling Engineering waar zij werkt? “Prima. Het feit dat ik een vrouw bent speelt geen rol. Wel dat ik Franse ben. De mensen van de werkvloer komen iets minder makkelijk naar mij toe omdat we Engels moeten praten. En dat is een kleine drempel. Maar ook niet meer dan dat. Mijn superieuren geven mij veel vertrouwen. Ik kan dan ook makkelijk verantwoordelijkheden naar mij toe trekken. Dat duurt in Frankrijk langer.”

Joelle voegt toe: “In Frankrijk blijven we ‘u’ tegen elkaar zeggen. Dat was 30 jaar geleden zo, en dat is nog steeds zo. Het schept enige afstand en houdt dat in stand. Die hiërarchie, dat heb je hier niet zo. En dat bevalt me. Het is allemaal wat minder formeel. Meer ontspannen. Aan de andere kant leven Nederlanders echt om te werken. In Frankrijk is dat andersom. Tussen acht uur en vijf uur wordt er hier erg hard gewerkt. De productiviteit is hoog.  Zou het de calvinistische inslag zijn? De lunch stelt niet veel voor. Dat mis ik nog steeds en dat blijf ik missen. Nederlanders hebben echter ook een bijzonder assertieve kant. Na vijf uur en tijdens weekenden en de vakantie zetten ze de knop om. Dan zijn ze er niet meer. Ook niet bereikbaar. Wat dat betreft lopen werk en privé in Frankrijk wat meer in elkaar over”. Mist Noémie de Franse eetgewoontes ook? “Wat betreft de lunch heel zeker. Daar wen je niet aan. Croquetten uit de automatiek. Dat is apart. En wat drinken jullie veel melk! Waar ik ook aan moest wennen waren de erg grote ruiten in de woningen. Je kunt zo bij de mensen naar binnen kijken”.

Blijven Joelle en Noémie in Nederland? Joelle absoluut. Heeft hier haar bestaan opgebouwd. Hier is zij thuis. Noémie mist haar familie wel. Zuid Frankrijk is niet om de hoek. Het antwoord op mijn vraag blijft ze me schuldig. Joelle doet mij uitgeleide en vertrouwt mij toe: “Er zijn natuurlijk ook wel punten van kritiek en zorg. De traditionele tolerantie waar Nederland zo om bekend stond is vaak ver te zoeken. En er is ook de neiging om nogal snel met het vingertje naar anderen te wijzen”. Eenmaal terug op de snelweg laat ik het nog eens tot mij doordringen. Ik geef ze groot gelijk.

Verantwoordelijkheid

Ik ga op weg naar Schalkwijk in de buurt van Houten. Waar een lange dijk langs de Lek mij naar de firma OMVE voert voor het weerzien met Sébastien Goguet. Hij was één van de studenten aan de DBS van de jaargangen 2007-2009. Op die school liep zijn huidige Nederlandse vriendin in die tijd stage. Vanuit de hogeschool Zeeland in Vlissingen. Een reden voor Sébastien om stage te gaan lopen in Nederland. Hij vond een plek bij Stork Food & Dairy Systems in Amsterdam. Als ik mij meld bij de balie van OMVE vertelt de managing director mij dat Sébastien –ze noemen hem Seb- er nog niet is. Maar ik wordt verwacht. Tijd voor koffie en alvast een introductie van het bedrijf. MKB ten voeten uit! Hands on mentaliteit. Alles aanpakken met enthousiasme en passie. OMVE richt zich op engineering en productie van systemen voor zuivelverwerking in de R&D omgeving. Enkelstuks en kleine series dus. En veel kennis. Export naar 60 landen over de hele wereld. Applicaties ontwikkelen samen met klanten.

Sébastien arriveert een kwartiertje later. Het was druk op de weg en hij is zelf druk in de weer met de laatste voorbereidingen van zijn bruiloft, overmorgen. Het weerzien is hartelijk en we raken meteen aan de praat.

Sébastien Goguet

Sébastien Goguet: “Stiptheid”

Hoe is het met je gegaan bij Stork? “Geweldig. Ik heb er veel meegemaakt en van alles geleerd. De combinatie van mijn basisstudie  Electrical Engineering en Industrial Computing en de opleiding aan de DBS heb ik er in de praktijk kunnen brengen. Na drie maanden reisde ik al naar India, Oost Europa en Noord Afrika. Voor Marokko en Tunesië is het natuurlijk praktisch dat ik Fransman ben. Mijn rol bij Stork was ook een logisch vervolg op eerdere werkervaring die ik in Noord Frankrijk had opgedaan. Ik had op enig moment de keuze. In Noord Frankrijk aan de slag. Dan zou het accent op projecten komen te liggen. Of hier bij Stork, en dan vanuit een bedrijf met een wereldwijde markt ook letterlijk de wereld in trekken. Dat wilde ik graag. En het kwam ook goed uit dat mijn vriendin Nederlands is. Eén en één is twee”. Dat klinkt als een prima tijd.

Waarom is  Sébastien overgestapt van een relatief groot naar een klein bedrijf? “Ik stond op een gegeven moment opnieuw voor een keuze; ga ik op deze manier nog een aantal jaren door? Dat zou kunnen. Maar dat betekende ook een aantal jaren meer van hetzelfde. Ik had inmiddels een groot netwerk in de sector opgebouwd. Kende de directeur van OMVE al.  En ik ben nog lang niet uitgeleerd. Daarom heb ik ervoor gekozen te gaan werken in een klein bedrijf. Hier moet je alles doen met een klein team. In een niche markt waarin OMVE opereert staan dan toch maar wereldwijd 400 machines in 60 landen. Er komt vanzelf meer verantwoordelijkheid naar me toe. Geweldig vind ik dat”. Sébastien komt uit het Noorden van Frankrijk. Welk verschil maken 250 kilometer als het gaat om werken? “Nederlanders zijn heel direct. Als ze ergens een probleem mee hebben melden ze dat meteen. Ook als het over mij gaat. Dat zou in Frankrijk met een omweg gaan. Waar ik echt aan moet wennen is de stiptheid. Nederlanders beginnen precies om half negen te werken. Dat zit niet in mijn systeem. Ik kom dus regelmatig later binnenvallen. En daar wordt wel eens wat van gezegd. Maar daar staat tegenover dat ze hier allemaal om vijf uur meestal weg zijn. Ik niet. Dus de balans vinden we wel. Zeker als je bijdrage aan het bedrijf duidelijk is”. Sébastien toont mij de R&D afdeling en een aantal proefopstellingen. Met een enthousiasme en professionaliteit alsof het bedrijf van hem is. Met gelukwensen voor zijn huwelijk gaan we uit elkaar.

Respect en vertrouwen

“De heer Bahri komt u zo dadelijk ophalen”. Ik heb mij gemeld aan de receptie van de imposante Automotive Campus in Helmond. Als je denkt dat Nederland geen indrukwekkende auto gerelateerde industrie heeft wordt je hier vanzelf op andere gedachten gebracht. Materiaalkennis, positioneringstechnologie, rijden op stroom, verrassend design. Je kunt er op de Campus

Julien Bahri

Julien Bahri: “Trots”

niet aan ontkomen. Julien Bahri is dat een jaar of vijf geleden overkomen. Als student aan de DBS, bovendien geboren en getogen in Douai, zochten we samen naar mogelijkheden om stage te lopen in Nederland. Het lag voor de hand contact op te nemen met APTS, het onderdeel van de VDL groep waar de Phileas wordt gebouwd. Phileas is een vervoerssysteem dat het midden houdt tussen een tram en een bus. Een tram op rubber banden met de mogelijkheid tot automatische geleiding. De stad Douai was juist in die periode bezig dit vervoerssysteem te implementeren. Julien komt mij lachend begroeten. In heel redelijk Nederlands! Als we ieder een kop koffie hebben gepakt begint Julien zijn ervaringen te vertellen. “Ik vergeet mijn entree nooit meer. Tijdens mijn studie heb ik zowel techniek geleerd als internationale marketing en verkoop. Dan wil je je vleugels ook uitslaan buiten de landsgrenzen. Ik heb dat toegelicht tijdens een verkennend gesprek op 3 januari. Men was er verbaasd over dat ik ook Engels spreek. De verwachting was dat Fransen alleen maar Frans spreken. Daar kwam je bij DBS niet mee weg. Ik kon meteen aan de slag. Volgens mij was ik op het juiste moment op de juiste plek”. Julien is bij VDL gebleven.

Hoe ziet zijn leven er nu uit? “Ik woon in Roubaix en pendel heen en weer tussen Noord Frankrijk en Helmond. Niet iedere dag hoor”, voegt hij er lachend aan toe. “Ik werk aan marketing, verkoop, techniek, export. Kortom, nieuwe dingen. Daar is Nederland goed in. De Phileas werd in Douai door het grote publiek met argwaan bekeken. Wat de boer niet kent….. Was het een  Frans product geweest dan had de Franse politiek er alles aan gedaan om dit nieuwe systeem in het zonnetje te zetten. Als niet-Franse aanbieder moet je minstens twee keer zo hard werken om geaccepteerd te worden”. Inmiddels is de Phileas operationeel in Eindhoven, Amsterdam, Douai, Istanbul en Keulen. “We leren veel  van het unieke karakter dat iedere agglomeratie met zich meebrengt. En de maatwerk oplossingen die dat vraagt als het gaat over slim vervoer. We verkopen niet zozeer een product als wel een concept. Bij VDL krijg ik alle ruimte en vertrouwen om daaraan mee te werken. Dat is kenmerkend voor de onderlinge verhoudingen. Ik leer veel on the job. Kan bij mijn collega’s terecht. Want er is geen cursus voor dit werk. Mijn leidinggevende laat me daarin vrij. Op mijn beurt kan ik meer respect opbrengen voor een supervisor die mij daarbij coacht dan voor een “baas” die zich als baas gedraagt. Daaruit blijkt het vertrouwen in de jeugd. Dat is ook nodig want de instroom van jonge mensen in de techniek is laag. Terwijl het werk zo uitdagend is”.

Het klinkt mij in de oren alsof Julien met zijn neus in de boter is gevallen. Hij relativeert dat: “Het is hier niet het paradijs. In Nederland moet je heel hard werken om je te bewijzen. Je krijgt het vertrouwen maar je moet dat ook blijven verdienen. Daar komt bij dat Nederlands leren moeilijk is. Niet alleen vanwege de taalkundige complexiteit. Ook omdat Nederlanders al snel overgaan op Engels om je te helpen”. Julien roemt de Nederlandse handelsgeest en de drive om altijd naar nieuwe oplossingen te zoeken en daarmee een positie in wereldmarkten in te nemen.

Wat zou Nederland beter kunnen doen?  “Het valt mij op dat ik de Nederlandse overheid weinig tegenkom als promotor van ons product, ons concept. De provincie Friesland heeft onlangs haar voertuigenpark vernieuwd. Met bussen uit China. Dat zou in Frankrijk ondenkbaar zijn. De overheid als launching customer. Die natuurlijke rol kent men hier nog onvoldoende”. We spreken af dat we contact houden. Bij het afscheid biedt Julien mij een schaalmodel van de Phileas aan. Trots op een  fraai Nederlands product!

In de ogen van Fransen

Tussen Kerst en Nieuw heb ik de gelegenheid mijn notities te bestuderen en de plezierige ontmoetingen nog eens opnieuw te beschouwen alvorens ze op papier uit te werken: Kennelijk is het prima werken in de Nederlandse technologische industrie. Hard werken, dat wel. Tussen half negen en vijf uur. Werken om te leven of leven om te werken? Dat is uiteindelijk aan het individu. Maar je krijgt dan ook vertrouwen en verantwoordelijkheid. Er is niet veel hiërarchie en naar jouw mening wordt serieus geluisterd. Oké, de lunch is niet zoals thuis. Maar daar staat een job tegenover waar je zelf heel wat van kunt en mag maken. Blijft voor mij de vraag: ‘is dat nou typisch voor werken in Nederland of hoort dat bij het zich steeds scherper aftekenende Noord West Europese ecosysteem van maak- en service bedrijven, toeleveranciers en kennisinstituten?’ Enfin, een  mooi thema om dit jaar verder research naar te doen.

%d bloggers liken dit: