Evaluatie tweede periode 2009-2012 Franse ‘Pôles de Compétitivité’

Synopsis

–       Sinds 2006 telt Frankrijk 71 Pôles de Compétitivité (PdC), vertaald ‘concurrentiekrachtclusters’. Een PdC bestaat uit bedrijven, onderwijs- en kennisinstellingen die samen R&D projecten opzetten rond een bepaald thema en in een bepaalde regio. Het Franse PdC-beleid heeft een sterk ruimtelijke ordening-aspect in zich.

–       Over de eerste periode 2006-2009 (fase 1.0) vond een evaluatie plaats door externe partijen waarna een aantal PdC’s zijn samengegaan met andere omdat ze onvoldoende kritische massa hadden.

–       Het evaluatierapport van fase 2.0 (2009-2012) van het Franse PdC-beleid is opgesteld door het consortium Bearing Point-Erdyn-Technopolis ITD en werd op 19 juni 2012 aan de Franse regering aangeboden.

–       De belangrijkste conclusies van de tweede evaluatie zijn:

  • het feit dat de PdC’s steeds meer onderling in (cross-over) projecten samenwerken genereert toegevoegde waarde en wordt door hun leden als positief ervaren;
  • het merendeel van de bedrijfsleden verklaart de investeringen in R&D en het aantal R&D-werknemers verhoogd te hebben sinds het lid is geworden van een PdC;
  • de Franse regering gaat nu een overlegronde houden via gesprekken met de belangrijkste acteurs van het clusterbeleid. Na afloop van die fase worden de besluiten t.a.v. het vervolg van het clusterbeleid voor de komende jaren bekend gemaakt.

Belangrijkste conclusies evaluatie PdC’s 2009-2012

Conclusie 1:
Zo’n 900 projecten werden ondersteund met een totaal bedrag van € 2,7 miljard aan publieke financiering. De clusterdynamiek trekt steeds meer nieuwe leden aan, met name mkb-leden én grote bedrijven, wat een goed teken is. De ervaringen met samenwerking in clusterverband en de ervaringen van samenwerking binnen projecten zijn nu voldoende rijp en aantrekkelijk en vormen daarmee een solide argument om door te gaan met het clusterbeleid.

Conclusie 2:
De aandacht voor innovatie en economische ontwikkeling in PdC-verband heeft belangrijke effecten gesorteerd. Veel innovaties zijn het directe resultaat van R&D-projecten binnen de PdC’s. In totaal gaven 1.300 bedrijven (66% van de respondenten) aan dat hun lidmaatschap van de PdC bij hen arbeidsplaatsen had gecreëerd. Zo’n 1.000 bedrijven gaven aan dat het PdC-beleid voor het behoud van arbeidsplaatsen heeft gezorgd. De PdC’s zijn bovendien een belangrijk element in de promotie van Franse regio’s voor buitenlandse investeerders.

Conclusie 3:
De activiteiten van de PdC’s zijn meer gericht op R&D-projecten dan op de fase van het naar de markt brengen van de resultaten. Dat is een tekortkoming. Aan valorisatie en marktintroductie zou meer aandacht besteed moeten worden.

Conclusie 4:
De PdC’s omvatten het geheel van Franse sleuteltechnologieën zonder dat er door de overheid duidelijke prioriteiten worden aangegeven. Dit zou beter kunnen. De huidige driedeling in mondiale PdC’s, PdC’s met mondiale ambities en regionale PdC’s, is onduidelijk en achterhaald en zegt niets over de technologische prioriteiten.

Conclusie 5:
De samenwerking tussen PdC’s onderling is zonder meer goed, maar heeft niet perse gezorgd voor strategische samenwerking van een hele sector. Er is veel gaande op het gebied van innovatie. De komst van het programma ‘Investissements d’avenir’ heeft voor (nog) meer complexiteit gezorgd.

Conclusie 6:
Het nationale managementsysteem van de PdC’s wordt gewaardeerd maar lijkt te ingewikkeld.
Het secretariaat bij het DGCIS (Ministerie van Industrie) werkt goed. Maar de strategische overall visie voor de PdC’s ontbreekt. De interdepartementale coördinatie zou beter kunnen en er is behoefte aan een betere communicatie met en aansluiting op andere innovatieprogramma’s. De PdC’s zijn onderling op nationaal niveau moeilijk vergelijkbaar.

Conclusie 7:
De financiering van R&D-projecten door het interdepartementaal fonds FUI wordt gewaardeerd maar kan beter. De voorwaarden voor financiering zijn duidelijk en goed bekend. De behoeften van bedrijven zijn niet allemaal opgenomen in de voorwaarden van het FUI-fonds. Het is bijvoorbeeld moeilijk financiering te krijgen voor middelgrote projecten van het mkb (€ 250.000 – €750.000). Het labelliseringstraject voor een project is te complex en te langdurig.

Conclusie 8:
De PdC’s zijn nog te sterk afhankelijk van publiek geld voor hun governance (bestuur en dagelijks functioneren). Wel is het aandeel van de governancekosten dat zelf gefinancierd wordt, groter geworden over de periode 2008-2011, namelijk gemiddeld 30%. De PdC’s moeten hun eigen middelen nu echter snel gaan verhogen door onder meer diverse diensten aan te bieden. Het is noodzakelijk om na te denken over verschillende mogelijke business modellen van de PdC’s. Het verder verhogen van de contributie van bedrijven lijkt vrijwel uitgesloten.

Aanbevelingen

Op basis van de conclusies werden zes aanbevelingen geformuleerd.

Aanbeveling 1: Het ‘pôles de compétitivité’-beleid voortzetten.

Het clusterbeleid moet op langere termijn worden voortgezet. Voorstel:  voortzetting voor acht jaar 2013-2020 met een lichte evaluatie halverwege. Alleen de cleantech PdC’s moeten specifieker geëvalueerd worden. Deze zijn namelijk later van start gegaan dan de andere pôles.

Aanbeveling 2: De plaats van het clusterbeleid in het nationale beleid opnieuw bepalen

Meer duidelijkheid en structuur in het innovatielandschap is gewenst. Voorstel: de  PdC’s indelen in twee categorieën: internationale PdC’s en ‘pôles de compétitivité et d’innovation’ (concurrentie- en innovatieclusters). De internationale PdC’s moeten geselecteerd worden op basis van het strategische karakter van de sector in het licht van de sterktes van Frankrijk, hun kritische massa (industrieel belang en wetenschappelijke excellentie) en het aantal R&D-projecten dat zij onder hun hoede hebben. Het ministerie van Hoger Onderwijs en Onderzoek en het ministerie van Ecologie zou actiever betrokken moeten zijn bij het clusterbeleid.

Aanbeveling 3: Nieuwe definitie doel van PdC’s: geen projectenmachine maar een groeimachine

De 3e fase van de PdC’s moet zich concentreren op de kleine  en middelgrote groeibedrijven. PdC’s op het gebied van dezelfde technologie moeten meer samenwerken en ook de PdC’s die zich op dezelfde markten richten.

 

Aanbeveling 4: De rol van het FUI-fonds consolideren

Er moet voldoende ruimte in het FUI-fonds blijven (circa € 200.000 per jaar).  De projectaanvragen van het mkb moeten gehoord worden. Het huidige gat tussen een onderzoeksproject en het naar de markt brengen van de resultaten moet gedicht worden, bijvoorbeeld via renteloze leningen. Het is raadzaam dat maximaal drie PdC’s samen één project ondersteunen.

Aanbeveling 5: De ‘pôles de compétitivité’ moeten financieel sterker worden.

Er is behoefte aan een sterkere naleving en monitoring van de doelstelling dat de financiering van de governance van de PdC’s voor de helft van de overheid en de helft van het bedrijfsleven komt. Deze 50-50 publiek-private financiering bewijst immers het bestaansrecht van de PdC voor zijn (bedrijfs-) leden. Aanbevolen wordt een prestatiecontract op te stellen met de definitie van het business model van de PdC met bindende toezeggingen en een financieringsplan. De opstellers van de evaluatie zijn tegen een systeem van ‘success fees’ in de vorm van een percentage van de behaalde steun.

Aanbeveling 6: Onderscheid PdC’s “internationaal” (cat. 1) en “concurrentie- en innovatie” (cat. 2)

Het rapport suggereert twee scenario’s. Ofwel doorgaan zoals nu, d.w.z. de PdC’s worden allen op dezelfde wijze aangestuurd en gefinancierd. Ofwel een scheiding in het clusterbeleid door enerzijds een versterkte nationale aansturing van de internationale pôles en anderzijds een regionale aansturing van de innovatiepôles die dan geen ‘pôles de compétitivité’ meer zouden heten.

Het volledige Franstalige rapport en ook een (Franstalige) synthese daarvan zijn op internet te vinden.

%d bloggers liken dit: